At Home in Europe

Archives for

Een schijnbaar lokaal probleem (België, Brussel), neemt Europese dimensies aan. Daarom (her)publikatie hier van mijn “manifest” aan mede-Brusselaars, ook gepubliceerd in De Lage landen, HUIBSLOG en bij Medium4you. Franse versie bij Toto Le Psycho, L’Europe Chez Soi en HUIBSLOG (13.1.08).

Elk nadeel heb z’n voordeel“: Nadeel van de Brusselse tweetaligheid is, dat je, als niemand anders dat voor je doet, zelf je stukken moet vertalen. Dat doe ik dus nu.

Het moet. Want ik doe niet mee aan het pasklaar maken van opinies, al naar gelang die in het Frans of in het Nederlands verschijnen. Ik geloof vast, dat mijn bescheiden opinie zowel franstaligen als nederlandstaligen kan aanspreken. Dit is de proef op de som. Er zijn twee dagen voorbijgegaan sinds ik m’n franstalige noodkreet, die hier wordt vertaald, openbaar maakte. Er zijn reacties, ook via medium4you, en er zijn nieuwe Nederlandstalige aanknopingspunten, die ik in dit stuk zal verwerken. Dat is een voordeel. Een voordeel van het nadeel, dat je minstens twee keer spreken moet, zou je kunnen zeggen.

Het begon allemaal op een Brusselse dag, een dag als elke andere. Een schijnregering gevormd, iedereen gerustgesteld, maar mijn stad nog verder gemarginaliseerd. In october nog, had ik m’n franstalige lezers opgeroepen, om niet bang te zijn: De Belgen redden zich wel zelf, op onnavolgbaar surrealistische wijze. Maar ik begon te twijfelen aan mijn eigen geruststellende woorden. De twee grote gewesten/taalgemeenschappen komen er misschien wel samen, over onze hoofden heen, uit, dat is waar. Maar België is meer, veel meer, dan Namen en het Martelaarsplein.

Daar is met name het fenomeen Brussel: Internationale stad, economie geglobaliseerd, levend bij practische tolerantie van anderstaligheid, van de ontmoeting van culturen, terend op het cosmopolitisme van haar grote bourgeoisie, die unieke stad, die al lang het onbetwiste economische, sociale en culturele keurmerk is van België, ja, ook meer en meer van de Europese Unie – wat moet er van haar worden, als provinciale politici over haar hoofd heen surrealistische compromissen gaan sluiten?

Neem me niet kwalijk, gulle Belgische gastheren en -vrouwen, dat ik het woord neem. Ik denk echt niet dat u er zelf niet uit kan komen. In 2008 zal uw nieuwste surrealistische oplossing van de communautaire vraagstukken, vriend en vijand verbazen, daar ben ik zeker van.
Ik deel evenwel met mijn Brusselse stadgenoten, die me het gemeentelijk stemrecht hebben toegekend in mijn kwaliteit van EU-burger, een groeiende ongerustheid over wat er van Brussel moet worden, nu er onder de onderhandelaars over de nieuwste staatshervorming, niemand is, die echt voor Brussel gaat, en dan hebben we het over 20% van het nationaal product. Zonder Brussel is België nergens, en dat geldt voor beide grote gemeenschappen, in Noord en in Zuid nog meer.

Brussel is niet vertegenwoordigd aan de onderhandelingstafels die over haar lot beschikken
De twee grote gewesten en gemeenschappen, die respectievelijk territoria en taalgemeenschappen bestrijken, gedragen zich, via degenen die zich als hun federale politieke vertegenwoordigers beschouwen, als twee gehuwden die in scheiding liggen, maar trachten een “leef-arrangement” te arrangeren. Daarbij wordt in de hitte van de discussie voorbijgezien aan de kinderen, de huisdieren, de opinie van de buren en de diverse huishoudboekjes. De stad Brussel, die van beide ouders wellicht het beste uit hun chromosomen verenigt, is een mondig kind. Als het echtscheidingsrecht toepasbaar zou zijn, dan zou ze al lang haar eigen plek hebben aan de onderhandelingstafel.

Maar Brussel is er niet echt bij. En wat misschien nog wel erger is: Als ze erbij was, wat zou ze naar voren brengen? Want Brussel heeft geen project. De Brusselaars zijn op geen enkele manier gemobiliseerd. – Nee, ik vergis me: Er is een indrukwekkend protest geweest, maandenlang, van Brusselaars die de nationale driekleur (zwart-geel-rood) over ramen en balkons hebben gehangen. Een echt, indrukwekkend en beschaafd Belgisch protest. Zoals mijn nieuwe landgenoten, die van Zuid en die van Noord, die weten op te zetten, bouwend op een historie van vreemde overheersing en ervaring met zelfredzaamheid. Edoch, het vlaggenprotest heeft één groot nadeel: ‘t Verwijst naar een historisch België, een harmonisch België dat nooit bestaan heeft. Je zou het opnieuw kunnen bedenken, maar niet meer kunnen maken. Mooi als symbool, maar geen enthousiasmerend project. En er is nood aan een project, hoe bescheiden ook, voor een land en een stad in het raamwerk van het Eureopa van de 21ste eeuw, niet dat van de negentiende of de twintigste…

Wat er op het spel staat en wat er kan worden uitgespeeld
‘t Gaat om een stedelijke agglomeratie van 1,2 miljoen inwoners (op de Belgische 10 miljoen), die, zoals gezegd, 20% van het nationale product voortbrengt, internationaal beschouwd wordt als de (toekomstige) hoofdstad van Europa en die nu al “hoofdstad” is van vrijwel alles en niets: de NATO, Vlaanderen, de EU… De economische uitstraling van Brussel domineert zeker in een perimeter van 100 kms, zowel in Noord als in Zuid. maar de invloed van de nieuwe rol van Brussel gaat verder: tot in Luik, Aken, Maastricht, Eindhoven, Luxemburg, Valenciennes, Rijsel, Oostende doet ze zich gevoelen. Daar zou je voorzichtig mee moeten zijn. Misschien een beetje meer luisteren naar de inwoners van de agglomeratie en naar al degenen die er direct (als pendelaars – 360.000!) of indirect (dienstverlening) van afhankelijk zijn?

‘t Moge zonder veel betoog duidelijk zijn, dat noch de Waalse- noch de Vlaamse regio ooit exclusief eigenaar van Brussel kunnen worden. Ze zijn het nu, een beetje te veel, “gezamenlijk”. Een eventuele echte scheiding zal zich dus voltrekken zonder Brussel als hoofdprijs. De gevolgen daarvan worden noch door Wallonië, noch door Vlaanderen, ooit berekend. Maar vraag eens aan echtelieden die in scheiding liggen, om rationeel te zijn?

Rudy Aernoudt
is de bekende tweetalige en hyperactieve filosoof, communicatiedeskundige en econoom, die laatstelijk (in het Frans, komt er een Nederlandse uitgave?) een boek uitgaf met als titel: “Bruxelles, l’enfant mal-aimé de la Belgique” (Brussel, het onbeminde kind van België). Slachtoffer van Leterme’s geborneerdheid en weggezonden als hoge Vlaamse ambtenaar en op dit moment ambteloos burger, lanceert de man uitdagingen die me best bevallen. Maar het zijn niet de mijne, noodzakelijkerwijs. Aernoudt gelooft in vrije marktwerking, ook, en dat vind ik discutabel, als het gaat om concurrentie tussen overheden op een kunstmatige markt. Zijn voorstellen voor oplossingen projecteren rationeel-kiezende eenheden, die opereren vanuit winstmaximalisatie binnen een gegeven kader. Zij zouden moeten denken als “klanten”, niet als gekozen vertegenwoordigers en beschermers van de belangen van hun kiezers. Dat is fout. En de werkelijkheid van “Intercommunales” bewijst dat.

Maar dat neemt niet weg, dat Aernoudt’s boek aan de Belgen waarheden voorhoudt, die ze eigenlijk niet willen horen. Op basis van cijfers en statistieken, toont Aernoudt aan, dat de “overdrachten” van Vlaanderen naar Wallonië binnen de huidige federale staat, waar iedereen zich zo over opwindt, niets voorstellen. 3% van het PIBR (het regionale jaarlijkse regionale product per persoon) gaat op de een of andere manier naar de federale regering of naar Brussel en Wallonië! “Et Alors?”, zou je kunnen zeggen. Een hypothetisch onafhankelijk Vlaanderen zou ongeveer hetzelfde extra moeten bijdragen aan de vereveningsfondsen van de Europese Unie ten behoeve van landstreken als Wallonië die zich moeten herstellen van de technologische ommezwaai van de 21ste eeuw…

Tel uit, je winst…

En wat zou dit allemaal betekenen voor Brussel? De personele belastingen in Brussel-19 brengen weinig op, want er zijn veel uitkeringstrekkenden en grote gezinnen. Maar de heffingen op consumptie (BTW) en op ondernemingen, des te meer. Als ooit al die zaken zouden worden geregionaliseerd naar de drie gewesten, dus ook naar Brussel, dan zouden Wallonië en Vlaanderen er bekaaid afkomen. Als we dan ook nog meerekenen, dat de 360.000 pendelaars die dagelijks Brussel binnenstromen om hun salaris te verdienen, niet in hun woonplaatsen, maar in de regio Brussel belast zouden worden, blijft er helemaal niets anders dan armoede over voor de Belgische Gewesten.

Daarom is het naar mijn mening helemaal niet nodig om bescheiden te blijven als Brusselaars. We hoeven echt niet mee te gaan met de oplossingen die Aernoudt, en ook Verhofstadt, voorstellen. Die oplossingen komen erop neer, dat een federale staat gunstige voorwaarden schept voor prestatiecontracten en andere ondoorzichtige dingen tussen gewesten, gemeenschappen en andere prachtige nieuwe configuraties, zoals stedenbanden (stadsgemeenschappen – communautés urbaines).

Ende gij geleuft dat?”
Dat komt neer op een zandbak-kapitalisme, zoals ik dat maar al te goed ken vanuit mijn praktijk als (her)ontwikkelaar van stedelijke probleemgebieden. Ondoorzichtig, en daarmee ondemocratisch. Vreselijk vatbaar voor regionalisme en erger: combines en zelfs corruptie (denk aan Charleroi!). Een federale autoriteit die dat alles zou moeten reguleren, is afhankelijk van plaatselijk en regionaal gekozenen. De laatsten, zelfs als ze van goeden wille zijn, kunnen zich niet onttrekken aan regionale belangen en die van hun herverkiezing. Dat werkt van geen levensdagen. Het zou een ideaal speelveld worden voor de Van Cau’s.

Wil je verkozenen laten handelen als ondernemers? – Onmogelijk en gevaarlijk!
Ik begrijp de mensen die in de ondoorzichtige Belgische chaos, geen andere uitweg zien dan “marktwerking”. Aernoudt, die van de Chicago-school is, bejubelt in zijn boek te pas en te onpas die belegen manier van evocatie van de “invisible hand”, die voor ons alles gladstrijken zal. Als het om overheden van verschillende niveaus gaat, geloof ik daar voor geen meter in. Als ambtelijk verantwoordelijke voor het Nederlandse wijkontwikkelingsbeleid van grote steden in de tachtiger jaren, heb ik meegemaakt, wat “contracten” tussen overheden (en het bedrijfsleven, zoals ook Aernoudt zich voorstelt) werkelijk betekenen. Gemeenschappelijke objectieven zijn snel vergeten en niet of nauwelijks afdwingbaar, honderden miljoenen verdwijnen in ongetwijfeld nuttige zaken, maart blijven onnaspeurbaar en on-evalueerbaar. Voor dergelijke projecten heb je een sterke staat nodig, zoals in Frankrijk of in Engeland. De Belgische federale staat, zoals die nu is, zal geen enkele controle hebben.

Solidariteit ondergeschikt maken aan gewestelijke hobbies?
Dit alles speelt zich af binnen het kader van een ideologie, die de solidariteit trussen personen op zijn kop zet. De Christendemocratie (niet alleen in België), heeft zich bekeerd tot de idee, dat de “profiteurs van de sociale voorzieningen” de solidariteit ondermijnen. De èchte solidairen zouden diegenen zijn, die weigeren om ongehuwde moeders, drugsverslaafden en veronderstelde werkonwilligen verder te subsidieren. Ze beschermen de welvaart tegen profiteurs. De laatsten moeten zich maar tot het Leger des Heils wenden. De onderstandsbehoeftigen zijn de ondermijners van de solidariteit. Waarom? Juist, omdat ze onderstandsbehoeftig zijn…

Aernoudt positioneert zich duidelijk aan de kant van die verontwaardigde burger. Zijn boek staat vol van excursen daarover. Ik vind, dat het gaat over een vergelijking van appelen en peren: Natuurlijk is het nodig, om misbruik van sociale voorzieningen à la Dutroux te bestrijden. Geen twijfel daarover. Maar sociale voorzieningen, interpersonele solidariteit, zijn nu juist wel datgene wat het Europese project onderscheidt van het Amerikaanse. organisatie van de solidariteit is een uitdaging, maar het is geen onmogelijke. We zijn rijk genoeg, oml iedereen een bestaansminimum te garanderen. Je moet het alleen wel willen.

Een “vermarkting” van de verhoudingen tussen lokale entiteiten lost niets op
Aernoudt citeert met welgevallen Thomas Friedman, een journalist van The New York Times die een boek schreef, getiteld: De Wereld is Plat. Platter analyse van de huidige wereldproblemen is zelden opgeschreven. Alles komt goed, als je de economie maar haar gang laat gaan. Delocalisering, bij voorbeeld van de spraaktechnologie (Lernout & Hauspie), naar India zou goed zijn, zolang het Westen maar de leiding houdt. Het Westen? De CIA, zal je bedoelen! Bij het huidige proces in Gent blijkt, dat L&H door Duitse en Amerikaanse geheime diensten werd ondermijnd. De globale markt is geen voetbalveld, waar een onbevooroordeeld scheidsrechter beslist. ‘t Is hard knokken, om jezelf te handhaven. Brussel speelt mee in de top liga van de wereld. Gaan provinciale en geborneerde politici als Leterme en [MR] nu de ruimte voor Brussel bepalen? De grootmachten zullen lachend hun dank betuigen voor dat cadeau.

Waarop we niet hoeven te wachten…
De ideale oplossing voor de huidige Belgische problemen zou ongetwijfeld bestaan uit een soort “reinventing government”: de schepping van een regering die ook echt werkt, naar beneden, voor de burger, naar boven, naar het Europese vlak en horizontaal, met de landsdelen. Ik denk niet, dat zoiets voor morgen is. Misschien, dat het Europese niveau daaraan iets zou kunnen bijdragen. Ondertekening eisen van het minderheden-verdrag, dat België weigert te ondertekenen vanwege B-H-V. Interveniëren in het schandaal van de niet-benoemde burgemeesters in de Vlaamse Brusselse Rand. Maar het heeft geen zin om te wachten op een positieve interventie vanuit Europa. Naar mijn mening, moeten de Brusselaars beginnen, om het zelf te doen.

Brussel uitbreiden…
In de eerste plaats, zal het daarbij gaan, om de mensen die in de internationale Brusselse gemeenschap leven, te verenigen. Dat zijn niet alleen de inwoners van het huidige Brusselse Hoofdstedelijk Gewest (de 19 gemeenten), maar ook de inwoners van een hele rij gemeenten daaromheen. Het gaat om mensen, die zich sedert eeuwen NIET definieren vanuit de taal die ze thuis spreken, maar die zich deel voelen van een gemeenschap, die grootstedelijk is, los van taal en grond. In de afgelopen jaren is die gemeenschap versterkt (ja, versterkt, niet verzwakt!) door de instroom van tienduizenden anderstalige Europeanen. Het geldt, die te integreren, hen zich in Brussel thuis te laten voelen. Noch Vlaanderen, noch Wallonië, hebben zich ooit op geloofwaardige wijze opgeworpen om die operatie te laten slagen. We moeten dat zelf doen.

Houden we het dus bij Brussel zelf en laten we de gewesten/gemeenschappen van de provincies hun eigen ding doen. Niemand zal bestrijden, dat grote delen van Vlaams- en Waals-Brabant niets anders zijn dan Brusselse voorsteden. Daar wonen mensen die werken in Brussel en hun verdiensten meenemen naar de gemeente waar zij wonen. Maar vanwege het Belgisch-historische compromis, kunnen ze hun burgerrechten maar beperkt uitoefenen. Ze behoren te worden opgenomen in een niet-taalgedefiniëerd Brussels arrangement. De urbanistische en financiële problemen die de opsluiting van Brussel binnen de grenzen van de 19 gemeenten met zich meebrengen, rechtvaardigen een overeenkomst, waarbij degenen die objectief tot Brussel behoren, dat ook werkelijk kunnen zijn. Uitbreiding van het Brusselse Gewest dus, zo niet territoriaal, dan toch via een Gemeenschap, waarover we hieronder te spreken komen.

...door een eigen niet-linguistische Gemeenschap te vormen
De Belgische staatsordening kent Gewesten voor “niet-personnabele” aangelegenheden, zoals ruimtelijke ordening, etc., en Gemeenschappen, gedefinieerd naar taal, voor “personnabele” zaken, zoals uitkeringen en onderwijs. Brussel is een Gewest, maar geen Gemeenschap. Op zich logisch, want Brusselaars spreken niet allemaal thuis dezelfde taal. Als je de cijfers neemt, dan zijn 8.5% van de Brusselaars geheel Nederlandstalig en 36% geheel Franstalig. Geen puur franstalige meerderheid, dus. Meer dan de helft voelt zich tweetalig. Maar daar is geen Gemeenschap voor. Tweetalige partijen en taaltellingen zijn zelfs grondwettelijk verboden!

Afgezien van het feit, dat ik taalgedefiniëerde gemeenschappen onzin vind, kan ik begrijpen, dat met name de Vlaamse landstreken van België zich hebben willen ontworstelen aan de houdgreep van de franstalige bourgeoisie en adel. Voor de stad Brussel is die weg via de taal (talen) niet mogelijk. Brussel’s emancipatie verloopt via niet-linguistische lijnen. dat behoort te worden erkend.

Niet: Vragen, maar: Doen!
Moet Brussel daarom aan de Frans- en Nederlands-taligen beleefd vragen, om een eigen statuut te mogen hebben? – Ik denk van niet. Dat heeft weinig zin. Ik denk, dat de enige uitweg is, gewoon zelf een Brusselse veeltalige Gemeenschap te stichten, n’en déplaise le FDF, en die van onderop te laten werken. Weg met de COCOF, weg met de Vlaamse bevoogding via de COCON! Weg met de intergemeenschappelijke coordinatiecommissie tussen de Gemeenschappen voor Brussel, waarvan ik de naam niet kan uitspreken!

Wat is dat voor onzin, dat een muziekconcert voorbehoudenn is aan een taalgemeenschap? Waarom kan ik niet me aansluiten bij hetzelfde ziekenfonds als mijn buren? Mijn gemeenschap, dat zijn de mensen die ik tegenkom in de bistrot om de hoek, de vuilnismannen die mijn zakken komen ophalen, de puur franstalige schepen van civiele zaken, die zo gevoelig het huwelijk van mijn logée sluit. Gemeenschappen, die gaan over het gemeen, het gemeenschappelijke, en niet over wat ons zou kunnen verdelen. Wij Brusselaars hebben weinig of niets met gemeenschappen in het verre Namen of Antwerpen. We hebben wel iets met ze, we willen hen niet kwijt, nee, maar we hebben zo onze eigen manieren om de zaken te regelen. Daarom hebben we een eigen gemeenschap nodig. Met alles erop en eraan: Tweetalig onderwijs gericht op Europa, een cultureel leven dat zich ent op datzelfde Europa, eenvoudige arrangementen met de instellingen voor sociale voorzieningen, enzovoort.

Hoe?
Daarom is naar mijn voorzichtig en bescheiden inzicht, dat toch niet losstaat van m’n Amsterdamse rebelse achtergrond, de meest eenvoudige en humane oplossing deze, dat we in Brussel gewoonweg zelf een “Gemeenschap” oprichten, daarvan de ministers verkiezen en het bijbehorende geld opeisen van de federale Staat. Die gemeenschap, ik zeg het er maar even voor de duidelijkheid in deze nederlandstalige versie bij, zou meer omvatten dan de 19 gemeenten van het Brusselse territoriale gewest: Grote delen van Vlaams- en Waals-Brabant horen erbij.

Maar zo kunnen de grondwettelijk geheiligde territoriale taalgrenzen in stand blijven, doch alleen gelden voor “niet-personnabele” aangelegenheden. Iedereen die zich Europeaan, of Brusselaar voelt, daarentegen, zou moeten kunnen kiezen om te behoren to de derde, hybride “gemeenschap” van België. Dat zal pijn doen bij de verstokte francofielen en evenzeer bij de Vlamingen die via verstikking Brussel willen dwingen om voor hen te kiezen.

Ik denk dat niemand ons kan tegenhouden, als we echt, samen, willen.

Powered by ScribeFire.

Technorati Tags: , , , ,

Posted by Huib Riethof

De diskussie speelt zich vooral in Duitsland af. Maar ze is te belangwekkend voor Nederland en België, om er hier niet op in te gaan. Een goede aanleiding is het zondagmorgen-stuk van mijn bloggerviend Jochen Hoff uit Berlijn “Warum sich R.G. ruhig mal irren darf“.

Na te lezen op: De Lage Landen: Ralph Giordano: Een Shoah-Overlevende weigert Moslims Burgerrechten. En wat daaraan te doen?

Ik kom er ook te spreken over de neiging tot schuldverschuiving, die plotseling alle goede voornemens om geen vooroordelen tegen hele bevolkingsgroepen meer toe te laten, kan doen vergeten:

“In die tijd voerde hij [Giordano, HR] ook actie tegen de buitenlanders- en vluchtelingenhaat (vaak in de voormalige DDR-gebieden), die toen o.a. tot brandstichtingen in asylzoekerscentra geleid hadden (Hoyerswerda, o.a.). Dat was consequent, want ook bij die gebeurtenissen speelde “spijtwraak” een rol. Spijt over collaboratie met nazis en vervolgens met DDR-autoriteiten.

“Schuldverschuiving” – ook in Nederland en België actueel
Daartegen heeft indertijd ook een handtekeningenactie in Nederland plaatsgevonden, van een onmiskenbaar anti-Duits- en “zie je wel, Duitsers zijn onverbeterlijk; geef m’n fiets terug” – karakter. Die had een vals kantje, want het was inderdaad in hoge mate een uiting van verdringing en zelfrechtvaardiging jegens de Duitsers, vergetend, dat de Nederlanders
in hoge mate en lange tijd zelf ook hebben meegedaan aan (het mogelijk maken van) de Shoah.

De “zie-je-wel” briefkaarten-aktie van 1993 onlangs weer ter discussie gesteld door tegenstanders van het “Terpstra-Initiatief”, omdat ze een gelijkenis zien tussen die twee. (Ephimenco, zie voorgaand artikel, hier). Het Terpstra-manifest klaagt echter niet een bevolkingsgroep of een land aan, maar mensen zoals Ephimenco, Wilders, Verdonk, Filip de Winter en consorten, die trachten mee te surfen op Islamophobie en vitale angsten. Het doet niet aan “schuld-verschuiving”, maar bemoedigt (met succes, zoals ik heb gezien: meer dan 1000 spontane voorstellen op de website), positieve initiatieven voor integratie en tegen simplistische xenophobie. En ja, het zijn inderdaad ongeveer dezelfde “goedmensen” (in Duitsland spreken de anti-moslim-blogs over antiracisten als “Gutmenschen”, iets wat in de Fortuyn-blog ijverig wordt nagevolgd), goedmensen dus, die in 1993 en in 2008 het voortouw namen. Maar zeht dat iets tegen het Terpstra-initiatief? “Goedmensen” kunnen “betermensen” worden, zoals blijkt, terwijl haatzaaiers het alleen maar tot geweldzaaiers kunnen schoppen.

Posted by Huib Riethof

Two CNN-alerts:1. Tony Blair to join JP Morgan01/10/08 02:18 AM, ESTFormer British Prime Minister Tony Blair, who left Britain’s DowningStreet last June, starts work Thursday with one of the best known-bankson Wall Street.2. Bush arrives in West Bank t…

Posted by Huib Riethof

Toen in 1999 voor het eerst na ongeveer 100 jaar vrijwel ononderbroken regeringsdeelname, de Christelijke Volks Partij in de oppositie belandde, was de crisis en de desoriëntatie er minstens even groot als in het Nederlandse CDA, nadat in 1993 de eerste paarse regering aantrad. Traditionele invloedssferen vielen weg, onderling geruzie ontstond en partij-boegbeelden, die eerst onverwoestbaar leken, gingen stuk voor stuk voor de bijl. Bij de Noorderburen: Lubbers, Brinkman, Heerma; bij de Zuiderburen: Dehaene en een hele rits andere grootheden.

1. Hoe het Nederlandse CDA in de jaren voor 2002 corporatisme moderniseerde tot communitarisme. En vervolgens niets anders produceerde dan afbraak van de soldariteit.
Bij het CDA kwam de vernieuwing van een informeel Haags denktankje, waarvan met name een medewerker van het wetenschappelijk bureau van de partij, Balkenende, deel uitmaakte.
Het partijprogramma werd resoluut omgebogen in de richting van het neoconservatieve denken, waarbij de christelijke solidariteitsgedachte als het ware op haar kop werd gezet. Ik parafraseer:

Werklozen, ongehuwde moeders, steuntrekkende immigranten, zieken en hulpbehoevenden staan per definitie onder verdenking, dat hun toestand hun eigen schuld is. Daarom zijn ze niet soldair met de rest van de maatschappij, die voor hun het geld moet opbrengen. De soldariteitsgedachte vergt derhalve, in deze opvatting, dat er streng moet worden opgetreden en dat niet de staat voor hen kan instaan, maar dat hun “eigen kring” (de familie, de stadswijk, het dorp) verantwoordelijk is. En als het gaat om gemarginaliseerden, die geen eigen kring hebben, dan is dat laatste ook hun schuld, want ze behoorden “samen te doen”, in plaats van alleen. Er ontbreekt iets aan hun normen- en waarden-besef.

Kortom, de hulpbehoevenden bleken niet meer solidair met de niet-hulpbehoevenden. Waarom? Omdat ze hulp behoefden! – “Solidariteit is mooi, maar ze kan niet van één kant komen!”

“De hulpbehoevenden zijn onsolidair met de niet-hulpbehoevenden”
Daarom hoeven, zo luidt de redenering, de middengroepen ook niet meer via het automatisme van de door de Staat beheerde sociale voorzieningen solidair te zijn met de ontvangers daarvan. “Links” besteelt de hardwerkende mensen, om hun luiwammesende, drugsverslaafde en subsidieverslaafde clientèle te onderhouden. Zeker, we laten de echte (volgens onze morele normen) hulpbehoevenden niet verrekken, maar het verstrekken van onderstand aan deze mensen moet voortkomen uit eigen vrije wil en keuze en mag niet te lang duren. En liefst worden verbonden aan sterke stimulansen tot gehoorzaam gedrag.
Presidentskandidaat Bush noemde dat in 1999 “caring conservatism”. Dat vertaalde zich later in het inschakelen van kerken bij het geselecteerd uitdelen van staats- en collectieve verzekeringsgelden aan hulpbehoevenden. Een terugkeer naar de “steun” die colleges van rijke heren en dames tot aan het einde van de negentiende eeuw naar eigen willekeur verschaften. Liefst aan “Keesjes”, het bekende diakenhuismannetje van Nicolaas Beets, dus aan mensen die van onderdanigheid en kruiperigheid een tweede natuur hadden moeten maken.

Het zwakke punt van de geïndividualiseerde staatsondersteuning: Bureaucratie en het negeren van bestaande kleinschalige soldariteitsverbanden
Maar laten we er niet helemaal een karikatuur van maken. Al valt de traditionele familie, waaraan het Christendom graag de zorg zou teruggeven, gewoon fysiek weg, er bestaan wel degelijk kleinschalige solidaire structuren tussen buurtgenoten, tussen collega’s, tussen sportvrienden en tussen mensen die tot eenzelfde kerkgenootschap of andere filosofische overtuiging behoren.
Die worden inderdaad op grote schaal verwaarloosd bij zorgverstrekking, arbeidstoeleiding, volwassenonderwijs en het scheppen van nieuw betaald werk. De staat heeft in principe alleen te maken met de abstractie van de individuele burger. Dat draagt bij tot de isolatie en de vereenzaming, van de werkloze, de langdurig zieke of gehandicapte. En daarmee ook tot asociaal gedrag. “Bowling Alone”, is het krachtige beeld dat R.D. Putnam meegaf aan zijn fascinerende beschrijving van het ineenstorten van het Amerikaanse gemeenschapsleven in de twintigste eeuw. Veel “Social Capital” wordt zodoende ongebruikt gelaten en zelfs vernietigd.

Terug naar het Leger des Heils?
De aartsvader van de Neoconservatieven, Irving Kristol, bepleitte vanaf de zeventiger jaren een “conservatieve welvaartsstaat”, waarin politie en sociale diensten de sociale controle in bij voorbeeld achterbuurten zouden versterken door een lik-op-stuk beleid, gepaard aan “discriminatie” tussen moreel goedgekeurde hulpbehoevenden en zij die dat in hun ogen niet zijn, zoals ongehuwde moeders en niet-werkwillige drugsgebruikers. “Die moeten maar naar het Leger des Heils” (Kristol, 1993, in The Wall Street Journal).
Schrijver dezes is er uit eigen ervaring maar al te zeer van overtuigd, dat op een positieve, opbouwwerk-achtige manier engageren van de vrijwillige en onafhankelijke organisaties van het gemeenschapsleven, noodzakelijk is, om zorg- en hulpverlening niet in bureaucratie te laten verzanden. Maar dat is heel wat anders, dan vooraanstaande buurtbewoners sytematisch ombouwen tot een soort morele politie met zeggenschap over het wel en wee van hun buurtgenoten!

Communitarisme los van emancipatie en empowerment is een excuus voor sociale afbraak
Als ik Balkenende goed begrijp, gelooft hij er echt in, dat door het verpreiden van waarden en normen, het “samen-doen” in kleine gemeenschappen er vanzelf komt, en veel staatszorg overbodig maken. Maar je kan natuurlijk dat zelfbeheer niet normloos overlaten aan de
kleine gemeenschappen. Die behoren doordrongen te zijn van waarden en
normen, anders worden het kleine maffia’s (hoewel: die hebben ook
normen en waarden, zij het, dat enkele daarvan op gespannen voet staan
met, zeg, de Tien Geboden).
Idealisering van economisch, sociaal en moreel zelfbeheer in kleine gemeenschappen, die de “grote”, de “echte” politiek overlaten aan de elite, sluit prachtig aan bij de oer-calvinistische idealen van “souvereiniteit in eigen kring”. Die gold voor de “kleine luyden” (Abraham Kuyper), die hun plaats moesten weten ten overstaan van de “grote luyden”, die aan de top over hun hoofden heen de èchte politiek bedisselden, dus onder anderen, wat onder waarden en normen moest worden verstaan.

Tussen de grote en de kleine luiden stond en staat het “maatschappelijk middenveld”: de toppen van corporatieve organisaties die bemiddelen tussen “groot” en “klein”.

Corporatistische wortels
Na een korte opbloei in de vijftiger- en het begin van de zestiger jaren in Nederland (de Publiekrechtelijke Bedrijfs Organisatie, oftewel PBO), werd er van deze in wezen corporatistische gedachtengang weinig meer vernomen, al bleven her en der dergelijke structuren bestaan, en worden nu “netwerken” genoemd. Hoe ze ook heten, ze hebben met elkaar gemeen, dat ze ondoorzichtig, hierarchisch en immobiel zijn. In feite gaat het om toegang tot-, uitwisseling van- en controle over: Macht en Geld.

In de VS bestaat een “communitaristische” beweging, die wat betreft haar sociale conservatisme (de omkering van de solidariteitsgedachte) gelijkloopt met het neoconservatisme. Sommige varianten daarvan combineren dit met antiglobalistische- en antikapitalistische gedachtengangen, terwijl andere communitaristen op economisch gebied een ultra-, ja zelfs anarcho-, kapitalisme voorstaan.
De jonge CDA-Turken rond Balkenende opteerden voor een gematigd, maar strikt marktconform, denken. Wat goed uitkwam, want dat maakte hen een uitgelezen partner voor de liberalen van de VVD.

Waarden-en-Normen
De Amerikaanse goeroe van het “Communitarianism“, Amitai Etzioni, werd door Balkenende tijdens het Nederlandse EU-voorzitterschap zelfs als keynote-speaker naar Den Haag gehaald, om de verzamelde Europese staats- en regeringsleiders toe te spreken op de door hun gastheer belegde “Normen-en-Waarden” – conferentie. Terzelfdertijd evenwel, maakte de Nederlandse Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid brandhout van het hele normen- en waarden-gebazel: De Staat dient zich alleen bezig te houden met waarden, voorzover die in de Grondwet zijn vastgelegd en in internationale verdragen. En de normen? Wel, die staan in de wet. En de wetten worden gemaakt en zo nodig aangepast door de wetgever, het verkozen parlement. Niet door het kabinet dus.

Sindsdien wordt er weinig meer vernomen van regeringsgestuurd waardenproeven bij afhankelijke burgers (waardencontrole bij rijkere burgers is nooit aan de orde), noch van pogingen tot hun “norm”alisering. Erkend moet worden, dat samen met de VVD, en in eerste instantie ook de LPF, de verschraling van de verzorgingsstaat ook heel goed zonder communitaristische rimram kon worden doorgevoerd.

In plaats van kleinschalig zelfbeheer van de solidariteit, is de Nederlandse zorg overgedragen aan grote banken en verzekeringsmaatschappijen
Zulks is het lot van de Nederlandse Christendemocratie. Ze heeft een conservatief project doorgevoerd, dat naar alle waarschijnlijkheid door de eigen achterban bepaald niet werd gewild. De zorg, bij voorbeeld, is niet omgezet in een kleinschalig netwerk van cooperatieve soldariteitsorganisaties (dat zou communitaristisch zijn geweest), maar is in handen gegeven van de grootste banken en pharmaceutische bedrijven, voor wie het grootste deel van de inkomsten wordt gegenereerd door de Belastingdienst. Nauwelijks bedrijfsrisico dus. En wegens de oligopolistische markt (regionaal verdeeld ook nog) is er van het verhoopte prijsdrukkende concurrentie-effect geen sprake. Wat wel gebeurt, is bezuinigen aan de uitgavenkant, door het strippen van ziekenhuizen, het ontslaan van (te duur) geschoold thuiszorgpersoneel en dat vervangen door ongeschoolde minimumloners uit de schoonmaakbranche. De zogenaamde (individuele) keuzevrijheid is in werkelijkheid het tegendeel daarvan, want voor een gewoon mens is vergelijking van de aangeboden contracten onbegonnen werk.

Vakorganisaties nieuw leven ingeblazen
Het enige lichtpuntje zou kunnen zijn, dat met name vakorganisaties de “vraagzijde”, de consumentenzijde dus, grotendeels hebben weten te bundelen, waardoor consumenten via hen nog enigszins een onderhandelingspositie hebben kunnen opbouwen tegenover de ondernemers. Ironisch genoeg, is dat nu juist een vorm van niet-communitarisme, want grootschalig en behept met macht op staatsniveau, die, door de Balkenendse omkering van de solidariteit, nieuw leven wordt ingeblazen.

Conservatieve invulling van programma voor kiezers verhuld door middel van “kartel” met de LPF onder Fortuyn
Een ander kenmerk van de werkwijze van het CDA onder Balkenende is bijzonder interessant voor de komende vergelijking met de Vlaamse Christendemocratie.
Dat is het zich verbinden met populistische stromingen, one-issue partijen, om de structureel tanende trouwe kiezersschare (tijdelijk) wat aan te vullen. Daarover in deel 2.

Technorati Tags: , , , , ,

Powered by ScribeFire.

Posted by Huib Riethof

Een hele bundel knuppels in het hoenderhok – de nota die ministerpredident Verhofstadt “voor eigen rekening” heeft gepubliceerd en voorgelegd aan het moeizaam zich vormende gezelschap dat onder leiding van de tweemaal als formateur mislukte Leterme de ‘contouren’ van een staatshervorming moet vastleggen voor de fatale datum van 23 maart 2008, wanneer Leterme volgens afspraak Verhofstadt zal opvolgen.

Wat in zeven maanden formatie-onderhandelingen niet lukte, omdat niemand van de deelnemende partijen het aandurfde, om ook maar een centimeter af te stappen van met anderen onverenigbare symboolpunten, is dan nu eindelijk uit handen gekomen van de man, die blijkbaar de enige staatsman is binnen de huidige politieke elite van België.

Als ik het goed begrijp, wil Verhofstadt de impasses doorbreken, door middel van de invoering van “marktwerking”. Inkomsten en uitgaven zouden op en neer gaan volgens regels, die samenwerking tussen gewesten en gemeenschappen belonen, doch koppige prinzipienreiterei afstraffen. Met andere woorden: Nu handelen de regionale politici en bestuurders vaak irrationeel, maar door middel van de marktdiscipline zullen ze rationeler gaan optreden.

Het is ongeveer dezelfde politiek als die van de Europese Unie tegenover de nationale lidstaten. Bij gebrek aan wet- en regelgevende bevoegdheden, en in het bijzonder bij ontstentenis van de mogelijkheid om regels en wetten rechtsreeks toe te passen, reguleert men via begrenzing van belastingconcurrentie, loon-concurrentie en monopolieposities. De miljardenoverdrachten van de ene staat naar de andere terwille van het landbouwbeleid en de ondersteuning van achterblijvende regio’s, dienen daarbij als wisselgeld.

Verhofstadt, aan wie men Europese ambities toeschrijft, heeft goed naar het EU-systeem gekeken. De voorstellen zullen de “overdrachten” van Vlaanderen naar Wallonië (netto ongeveer 3 à 6 miljard per jaar, 3% van het regionale PIB) niet doen stoppen, maar eerder in volume doen toenemen, denk ik. Maar ze zullen worden “verhuld” door tripartite (Vlaanderen-Wallonië-Federale Regering) samenwerkings-overeenkomsten en -contracten. Dat is ongeveer hetzelfde als wat door Rudy Aernoudt wordt voorgesteld in “Bruxelles, l’Enfant Mal-aimé”. Op de verschillen en overeenkomsten komen we later nog terug.

Nu eerst wat delen van de goede samenvatting die Dagblad De Morgen vandaag geeft van de nota-Verhofstadt:

Het opzet van de nota is ambitieus. Zo gaat de lijst met over te dragen bevoegdheden een pak verder dan wat tot nu op de onderhandelingstafel lag. Verhofstadt wil niet alleen alle sociaaleconomische hefbomen bij de gewesten onderbrengen, inclusief een omvangrijke fiscale autonomie, maar hevelt ook belangrijke delen van het beleid omtrent mobiliteit, verkeersveiligheid, justitie en energie over, net als de
kinderbijslagen.

De bedoeling hiervan is, mijns inziens, om een effect tegen te gaan, dat ook in de EU veelvuldig optreedt, namelijk, dat de samenstellende onderdelen maar al te graag “leuke” beleidsterreinen voor zichzelf houden, en overigens de minder leuke naar het centrale niveau overhevelen, om daarbij vervolgens de “zwarte piet” te kunnen leggen. Voorbeelden zijn vreemdelingenbeleid en anticoncurrentie-maatregelen.

Daartegenover staan de herfederalisering van de geluidsnormen en ontwikkelingssamenwerking, een federale kieskring en convergentiecriteria. Die laatste moeten ervoor zorgen dat verregaande autonomie niet tot onbedoelde concurrentie tussen de regio’s leidt. De regio’s zouden hun pas verworven bevoegdheden slechts binnen federaal bepaalde grenzen kunnen uitoefenen. Minstens even fundamenteel is de herfinanciering van de armlastige federale overheid, onder meer door bevoegdheden niet met alle bijbehorende financiële middelen over te hevelen en de deelstaten zelf te laten betalen voor de gevolgen van hun beleid.

Het regionaliseren van ontwikkelingssamenwerking (en trouwens ook van export-beleid, inclusief wapens!) leidt tot zulke wanstaltige toestanden, dat het heel goed denkbaar is, dat de gewesten daar weer vanaf willen.
Hetzelfde geldt in nog sterkere mate voor de geluidshinder, met name die rond het Brusselse internationale vliegveld Zaventem. Dat ligt op Vlaams grondgebied, maar de vliegtuigen vliegen ook over het gewest Brussel. Dat betekent in de Belgische configuratie, dat er twee gewesten verantwoordelijkheid dragen voor de “niet-personnabele” kant van het vliegverkeer, terwijl zich ook nog eens twee taalgemeenschappen met de “personnable” kanten bezighouden. Om maar te zwijgen van de tientallen gemeenten die ook zo hun bevoegdheden hebben. Zo wil het hoofdstelijk gewest Brussel veel vliegverker toelaten, mits het maar over Vlaanderen vliegt. Maar het wordt pas ècht leuk, als de Franstalige inwoners van de Vlaamse noordrand van de Brusselse aglomeratie (die dus niet in het gewest Brussel wonen, maar vaak in een Vlaamse “faciliteitengemeente”) in actie komen en gerechtelijke uitspraken afdwingen. Het is evident dat de huidige spelers er niet uit geraken, dus de ratio is met Verhofstadt, als hij voor herfederalisering pleit.

In de nota schetst Verhofstadt ook oplossingen voor tal van symbolisch geladen dossiers. Zo pleit hij voor een paritaire Senaat, een goedkeuring van het Minderhedenverdrag, een versoepeling van de rondzendbrief-Peeters en van de toepassing van de Brusselse taalwetten, en een onderhandelde oplossing voor Brussel-Halle-Vilvoorde met een beperkt inschrijvingsrecht.

Dit moet ik even uitleggen voor de Nederlandse lezers:

  • Een paritaire senaat (evenveel Frans- als Nederlandstaligen) zou permanent Vlaamse meerderheidsbesluiten met grondwettelijke strekking van het parlement kunnen tegenhouden.
  • Het Minderhedenverdrag van de Europese Unie legt minimum-rechten vast voor nationale minderheden. Het is door België niet getekend, omdat de Vlamingen vinden, dat de Franstaligen in de Brusselse Rand geen “minderheid” zijn, en dus niet zouden mogen genieten van het recht op het gebruik van eigen taal en dergelijke. In Nederland zijn de Friezen en zelfs de Saksen wel als zodanig erkend.
  • De “rondzendbrief-Peeters” staat hiermee in verband: Daarin wordt aan de gemeentebesturen van de “faciliteitengemeenten” en de andere randgemeenten rond Brussel voorgeschreven, om overheidscommunicatie alleen op jaarlijks uitdrukkelijk herhaald verzoek, aan Franstaligen in het Frans te verschaffen. Naar mijn bescheiden mening, een uiterst domme politiek. De Nederlandse cultuur en de Nederlandse taal komen helemaal niet in gevaar, als de taal van een belangrijk deel van de inwoners van gemeenten wordt gerespecteerd. Ik denk eerder, dat het Nederlands er bepaald niet populairder op wordt.
  • Brussel-Halle-Vilvoorde (BHV) is een tweetalig verkiezingen-arrondissement, waartoe Brussel samen met een aantal Vlaamse gemeenten behoort. Men kan bij verkiezingen in het kieshokje kiezen voor Franstalig of Nederlandstalig. Tweetalige partijen zijn verboden! De Vlamingen willen nu, dat de gemeenten die tot het Vlaamse gewest behoren (en die soms een Franstalige meerderheid hebben), uitsluitend Nederlandstalige partijen op de kieslijsten hebben. Daarmee zou aan de Franstaligen de mogelijkheid worden ontnomen om op depolitici van hun keuze te stemmen. Verhofstadt stelt nu voor, om wel te splitsen, maar aan Franstaligen voor een beperkte tijd het recht te geven om zich voor de verkiezingen in te schrijven in het tweetalige Brusselse gewest.
  • In het eerdere citaat werd ook de “federale kieskring” genoemd. Die zou een mogelijkheid kunnen bieden voor mensen die zich niet willen binden aan één van de twee (grote) taalgemeenschappen, om bij voorbeeld bij Europese verkiezingen op een willekeurige goede vertegenwoordiger van België te stemmen, in plaats van op een lokale grootheid.

De Morgen, tenslotte:

“Enkel de huidige communautaire grenzen en de solidariteit worden niet in vraag gesteld. Over een regionalisering van de gezondheidszorgen of de uitbreiding van
Brussel
wordt dan ook met geen woord gerept.”

De uitbreiding van het gewest Brussel, of, liever gezegd, het beëindigen van de verstikking ervan, wordt in Verhofstadt’s ogen opgevangen door de al genoemde dwang tot samenwerking tussen de gewesten uit economische motieven.

Zoals u al begrepen zult hebben, geloof ik daar totaal niet in. Lokale politici handelen niet economisch-rationeel. Winst of verlies zal hun een zorg zijn. Ze zijn immers buiten staat om jegens hun kiezers verantwoordelijkheid te nemen voor zaken die zich op een hoger bestuurlijk niveau afspelen. In het “beste” geval, krijg je een ondoorzichtig netwerk van instituten die sterk zullen lijken op “intercommunales”, plekken waar gekozen bestuurders vrijwel zonder controle over miljoenen beschikken, die niet “rationeel” verdeeld en besteed worden, maar via koehandel worden uitgesmeerd. Om van regelrechte corruptie maar te zwijgen.

Maar alles goed en wel: Er ligt nu tenminste een visie op tafel, ook al is het de mijne niet.

Technorati Tags: , , ,

Powered by ScribeFire.

Posted by Huib Riethof